Samenwerkingsovereenkomst

DEELNEMENDE PARTIJEN EN DUUR VAN DE SAMENWERKINGSOVEREENKOMST

I.1 Van de zijde van de overheid

  • De Staat der Nederlanden, te dezen vertegenwoordigd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), handelend als bestuursorgaan en als vertegenwoordiger van de Staat der Nederlanden, rechtsgeldig vertegenwoordigd door Minister G. Verburg.

I.2 Van de zijde van het bedrijfsleven:

  • Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (ZLTO), rechtsgeldig vertegenwoordigd door A. Vermeer;
  • Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI), rechtsgeldig vertegenwoordigd door Ph. den Ouden;
  • Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL), rechtsgeldig vertegenwoordigd
    door K.L. van den Doel;
  • Vereniging Nederlandse Cateringorganisaties (Veneca), rechtsgeldig vertegenwoordigd door T. Verheij;
  • Koninklijke Horeca Nederland (KHN), rechtsgeldig vertegenwoordigd door L.J.H.M. van der Grinten.

I.3 Werken samen in het Platform Verduurzaming Voedsel, overwegende dat:

  • De vijf laatstgenoemde partijen representanten zijn van de schakels van de voedingsmiddelenketen, door onderlinge samenwerking zijn zij in staat zijn om het proces van verduurzaming van voedsel te bevorderen;
  • Zij als brancheorganisaties in staat zijn om de leden te ondersteunen en te stimuleren in dit proces (met dien verstande dat brancheorganisaties geen commerciële afspraken namens leden kunnen maken of uitvoeren);
  • Het Ministerie van LNV door het efficiënt inzetten van aansluitend beleid en instrumentarium deze inspanningen kan versnellen;
  • Een ketengewijze aanpak van issues en uitdagingen tot een belangrijke intensivering van het verduurzamingsproces kan leiden.

I.4 Duur van de samenwerkingsovereenkomst

  • Deze samenwerkingsovereenkomst is gesloten voor de duur van ruim 3 jaar en treedt in werking vanaf 28 oktober 2009 en loopt voorlopig tot en met 31 december 2012.
  • Het is de intentie van de platformdeelnemers om de samenwerking na 2012 in stand te houden opdat nieuwe doelstellingen ten aanzien van verduurzaming van voedsel in meerdere fasen gedurende een periode van 15 jaar (dus tot en met 2025) gerealiseerd kunnen worden. De periode tot en met 2012 dient dan ook mede als agendasetting voor de periode erna.

II HEBBEN DE VOLGENDE DOELSTELLINGEN VASTGESTELD

Het Ministerie van LNV heeft de intentie om Nederland over 15 jaar mondiaal tot de koplopers te laten (blijven) behoren in de verduurzaming van de voedselproductie. De platformdeelnemers zijn bereid om met het Ministerie van LNV samen te werken aan deze streefdoelstelling. Om deze positie in de koplopersgroep te bereiken dan wel te behouden (verduurzaming is immers een continu proces), zullen in meerdere fasen deelstappen genomen worden. De eerste fase van versnelde opbouw en ontwikkeling beslaat de periode 2009 tot en met 2012.

Partijen hebben twee (onderling samenhangende) doelstellingen geformuleerd, namelijk proces- en productgerelateerd, om de verduurzaming van voedsel versneld vorm te geven.

Allereerst is het de bedoeling om het proces van continue verduurzaming van voedsel te verankeren in het beleid van ondernemingen. Daarnaast is het de bedoeling om het concrete aanbod van verduurzaamde producten jaarlijks te vergroten. Deze twee doelstellingen zijn als volgt uitgewerkt:

II.1 Verankering van het proces van verduurzaming van voedsel in het beleid van Nederlandse ondernemingen actief in de productie, verwerking, distributie, bereiding en verstrekking van voedsel in 2012.

De brancheorganisaties vertegenwoordigen ondernemingen die actief zijn in de productie, verwerking, distributie, bereiding en verstrekking van voedsel. Aangezien brancheorganisaties geen marktpartijen zijn, is het zorgdragen voor verduurzaming van voedsel primair een verantwoordelijkheid van ondernemingen. Doel van deze samenwerkingsovereenkomst is dat de brancheorganisaties hun leden ondersteunen bij hun inspanningen om verduurzaming van voedsel een systematisch onderdeel te laten zijn van hun handelen. Deze doelstelling zal worden gerealiseerd binnen de volgende randvoorwaarden:

  • Er wordt per branche of sector een voorbeeldaanpak ontwikkeld, in een vorm die bedrijven in deze branche het meeste aanspreekt. Dit kan variëren van checklists, handleidingen tot certificering of een andere gewenste vorm;
  • Er wordt per en door de branche zo allesomvattend als mogelijk gedefinieerd wat verduurzaming voor de bedrijven in deze branche precies inhoudt en op welke punten het verduurzamingspotentieel kan liggen. Daarbij wordt verduurzaming gezien als een dynamisch begrip dat continu kan worden aangepast aan kansen en mogelijkheden die zich voordoen. De definities van verduurzaming zoals die door de branche ontwikkeld en gehanteerd worden, worden desgewenst besproken met een derde partij, bijvoorbeeld een onafhankelijke expert. De manier waarop dit alles gebeurt, dient aan te sluiten bij de gebruikelijke werkwijze van de branche;
  • Tevens zijn er waar mogelijk doelstellingen geformuleerd waar de gehele branche zich binnen een bepaalde tijd op zal gaan richten;
  • De voorbeeldaanpak kan met meerdere modules uitgebreid worden, als dat effectief is om de sector op deze manier te verduurzamen: bedrijven kunnen zich vergelijken met de gemiddelde prestatie van de ondernemingen uit te sector (kengetallen, benchmarking). En er kan een streefdoelstelling aan gekoppeld worden (ranking). Maar sectoren kunnen ook andere instrumenten ontwikkelen om het verduurzamingsproces te stimuleren;
  • Er is praktische samenhang tussen de voorbeeldaanpak en de bestaande (boven-) wettelijke afspraken, zodat de huidige administratieve lastendruk in ieder geval niet verzwaard en waar mogelijk vereenvoudigd wordt;
  • Het gaat om een meerjarige aanpak die zich zowel in de breedte als in de diepte kan ontwikkelen. Per jaar komen er dan steeds meer branches bij die een voorbeeldaanpak gaan ontwikkelen. En: binnen elke branche komen er steeds meer bedrijven die zich aan een zo veel mogelijk en/of op zo’n hoog mogelijk niveau van deze systematische verduurzaming gaan houden.

Gegeven deze randvoorwaarden, is deze procesgerelateerde doelstelling als volgt uitgewerkt:

  • In 2009 zijn de platformdeelnemers als brancheorganisatie gestart om een voorbeeldaanpak te ontwikkelen voor hun bedrijven om het proces van verduurzaming van voedsel te verankeren in de bedrijfsvoering. Voor 2010 en de jaren daarna geldt dat de aanpak door steeds meer bedrijven opgepakt wordt;
  • In 2010 moeten de bedrijven uit de bovengenoemde branches in staat zijn om hun eigen prestaties in kaart te brengen. Daarnaast kunnen branches ervoor kiezen om de voorbeeldaanpak met meerdere modules uit te breiden zoals benchmarking en ranking. Het proces van benchmarking en ranking is echter geen doel op zich en kan ook door een andere methodiek vervangen worden, waarbij de verdergaande verduurzaming van het handelen van de onderneming steeds het kerndoel is.

II.2 Marktintroductie en –opschaling van duurzame producten (pilots)

Deze doelstelling dient eveneens primair door bedrijven zelf gerealiseerd te worden. Daar waar de procesgerichte doelstelling in brancheverband opgepakt dient te worden, dienen de duurzame producten in specifiek ketenverband (d.w.z. tussen commerciële marktpartijen) tot stand te komen. Doel van de samenwerkingsovereenkomst is dat er vanaf 2010 steeds meer duurzame producten op de markt geïntroduceerd worden of opgeschaald worden naar een groter volume. Uitgangspunt hierbij is dat voorkomen moet worden dat er louter aanbodsgestuurd gehandeld wordt. Om te bereiken dat duurzaam geproduceerd voedsel gevraagd wordt door de consument en een plaats in de markt krijgt, kan ter ondersteuning en waar nodig in opdracht van het Platform onderzocht worden welke behoeften er bestaan en hoe de consument kan worden gestimuleerd de duurzame producten te gaan gebruiken. De marktintroductie of opschaling van een duurzaam product wordt ook wel een pilot genoemd. Deze doelstelling zal worden gerealiseerd binnen de volgende randvoorwaarden:

  • De betrokken ondernemingen in de keten stellen zélf vast op welke aspecten zij een duurzaamheidsverbetering willen doorvoeren. In principe betreft het een uitwerking van de volgende thema’s: waterverbruik, energieverbruik, CO2-reductie, transportreductie, afvalpreventie, dierenwelzijn, duurzame teelt, betrokkenheid medewerkers, eerlijke handel. Andere thema’s zijn mogelijk als dat de instemming heeft van alle platformdeelnemers.
  • Uitgangspunt is dat een keten er voor zorg draagt dat het beoogde duurzame product op tenminste twee van deze thema’s een significante bovenwettelijke ‘plus’ ontwikkelt. Met ‘plus’ wordt bedoeld dat er zichtbaar en betekenisvol extra inspanningen worden verricht, die niet vanuit bestaande wet- en regelgeving worden gevergd. Het bepalen of zo’n plus significant is, gebeurt door de platformdeelnemers. Als een ‘plus’ branchebreed wordt ontwikkeld en/of doorgevoerd, dan volstaat één thema mits dit een duidelijke toevoeging is op al bestaande trajecten.
  • Een groot deel van dit verbeterpotentieel van verduurzaming zal gerealiseerd worden door samenwerking met andere schakels in de keten. Brancheoverschrijdende zaken zullen dan expliciet in het Platform aan de orde komen en verantwoordelijkheden zullen door de meest betrokken schakels in de keten opgepakt worden.
  • Waar mogelijk en gewenst worden ‘derde’ partijen door de keten betrokken, die er op toe zien dat het om een significante verbetering gaat. Dit kunnen (maatschappelijke) organisaties zijn wiens aandachtsveld op dit thema gericht is. Ook kan het gaan om productschappen of andere organisaties die een faciliterende rol vervullen. Het betrekken van maatschappelijke organisaties is een pré om in aanmerking te komen voor cofinanciering van een pilot door de overheid binnen de voorwaarden die in het kader van staatssteun gesteld worden.
  • Waar mogelijk worden deze producten herkenbaar duurzaam vermarkt in de consumentenmarkt, op een wijze die volgens het bedrijfsleven het meest effectief is. Het gebruik van een keurmerk of logo hierbij is geen verplichting. Dit herkenbaar communiceren is een pré om in aanmerking te komen voor cofinanciering van de pilot door de overheid binnen de voorwaarden die in het kader van staatssteun gesteld worden.

Gegeven deze randvoorwaarden, is deze productgerelateerde doelstelling als volgt uitgewerkt:

  • In 2009 zijn er namelijk tenminste vijf pilots (geïnitieerd door een keten of een branche) gestart om een duurzaam product tot stand te brengen.
  • In 2010 komen er jaarlijks tenminste tien pilots op de markt, volgens de definitie zoals hierboven beschreven. In 2011 gaat het om vijftien pilots en in 2012 om twintig pilots.
  • Uitgangspunt is dat elke platformdeelnemer (m.u.v. Ministerie van LNV) er naar streeft dat bij 1 (in 2009), 2 (in 2010), 3 (in 2011), 4 (in 2012) van deze pilots een bedrijf uit de eigen achterban of de brancheorganisatie zelf als ‘trekker’ optreedt.

Aansluitend op en ter verdieping van deze proces- en productgerichte doelstellingen, zullen de platformdeelnemers de komende drie jaar een agenda ontwikkelen waar thema’s en onderwerpen die van strategisch belang geacht worden, expliciet aan de orde zullen komen. Een ketengewijze aanpak staat hierbij voorop. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de volgende onderwerpen:

  • marktontwikkeling sociaal verantwoord geproduceerd voedsel;
  • marktontwikkeling vleesvervangers en duurzamer geproduceerd vlees;
  • marktontwikkeling duurzamer geproduceerde plantaardige producten;
  • marktontwikkeling duurzame vis;
  • aanpak voorkomen voedselverspilling;
  • onderzoek naar de meest effectieve vorm van vermarkten van duurzame producten (herkenbare producten).

Om deze doelstellingen te bereiken en deze agenda te realiseren zullen de platformdeelnemers inspanningsverplichtingen aangaan (paragraaf IV), en zal er tevens een aantal ‘collectieve instrumenten’ ontwikkeld worden (paragraaf III).

III ZETTEN DE VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJKE INSTRUMENTEN IN OM DEZE CONVENANTDOELSTELLINGEN TE REALISEREN

Het betreft instrumenten die tot stand komen via bijdragen van zowel overheid en bedrijfsleven.

III.1 Ketenmanagement

Met ketenmanagement wordt bedoeld:

  • Het begeleiden van bedrijven in alle schakels van de keten om de marktintroductie of –opschaling van een duurzaam product (pilot) te realiseren.
  • Het adviseren of begeleiden van branches bij het vormgeven van een voorbeeldaanpak van een duurzaam productieproces op brancheniveau.
  • Het ondersteunen van branches of bedrijven bij het realiseren van doelstellingen waar de gehele branche zich binnen een bepaalde tijd op zal gaan richten.

Ketenmanagement wordt door een onafhankelijke partij uitgevoerd en kan ook worden ingezet op interim basis, dat wil zeggen: er kan op flexibele basis menskracht ingehuurd worden voor duidelijk omschreven werkzaamheden die binnen afgesproken kaders vallen. Ketenmanagement wordt deels door het bedrijfsleven, en deels door de overheid gefinancierd. De goedkeuring hiervoor geschiedt via een besluit van het Platform.

III.2 Pilots

  • Met pilots wordt bedoeld: projecten die concreet invulling geven aan de product- en proces gerichte doelstellingen. Bijvoorbeeld: één of meer schakels in een keten leggen zich vast om met extra inspanningen een duurzaam product met tenminste twee ‘plussen’ in de markt te zetten en/of significant op te schalen, en ontvangen een bijdrage in de bijbehorende voorlichtingsactiviteiten of een andere gewenste vorm van ondersteuning. Verder kunnen pilots ingezet worden als ondersteuning voor een gehele branche die binnen een bepaalde tijd een doelstelling wil realiseren. In dat geval hoeft er steeds maar één ‘plus’ ontwikkeld te worden.

De goedkeuring voor de pilots geschiedt via een besluit van het Platform. Door de platformdeelnemers zijn de volgende voorwaarden gesteld bij de inzet van dit instrument:

  • De maximale bijdrage van de overheid is 33% van de totale kosten, van dit percentage kan om specifieke redenen worden afgeweken door het Ministerie van LNV;
  • De beoordeling of er sprake is van twee significante ‘plussen’, geschiedt enerzijds door ‘derde’ partijen die door de keten betrokken worden en anderzijds door het Platform;
  • Waar mogelijk wordt het product als herkenbaar duurzaam vermarkt, als dat volgens het betrokken bedrijfsleven afzetbevorderend werkt. Het gebruik van een keurmerk of logo hierbij is geen verplichting;
  • De ondersteuning die via de overheid betaald wordt, kan betrekking hebben op haalbaarheids- of marktonderzoek, voorlichtingsactiviteiten gericht op de consument (via bijv. proeverijen), de medewerkers (via bijv. opleidingen) of op alle andere activiteiten die aansluiten bij de wensen van het bedrijfsleven, waarbij regels met betrekking tot staatssteun en aanbesteding vanzelfsprekend gerespecteerd worden.

III.3 Communicatieactiviteiten

Er kunnen gemeenschappelijke communicatieactiviteiten worden ontwikkeld door overheid en bedrijfsleven, via het Platform of een speciale werkgroep die door het Platform wordt opgericht. Deze activiteiten sluiten dan aan op andere campagnes en activiteiten die reeds door overheid en bedrijfsleven ontwikkeld zijn of die de komende drie jaar ontwikkeld worden. Deze activiteiten zijn er op gericht de volgende doelstellingen te bereiken:

  • consument moet zich bewust worden van het fenomeen duurzame voedingsmiddelen;
  • consument moet zich bewust worden van keuzemogelijkheden die er zijn om duurzame voedingsmiddelen te kopen;
  • consument moet bekend worden met het feit dat er meer duurzame voedingsmiddelen in de schappen liggen;
  • consument moet duurzaam als motief voor aankoopgedrag van voedingsmiddelen gaan ontwikkelen.

De collectieve communicatieactiviteiten worden voor zover mogelijk en relevant door de overheid gefinancierd en de inhoud van de activiteiten moet op alle relevante aspecten goed aansluiten bij de commerciële uitingen van het bedrijfsleven over ditzelfde onderwerp, en de wensen die het bedrijfsleven verder heeft. Het is de wens van de platformdeelnemers om ook nieuwe media en technologische ontwikkelingen (bijvoorbeeld winkelzuilen) hierbij indien mogelijk een plaats te geven. Er zal in ieder geval jaarlijks een zichtboek door (leden van) het Platform uitgegeven worden, waarin alle bereikte resultaten getoond zullen worden.

III.4 Vraaggerichte aansturing van onderzoek ten behoeve van verduurzaming van voedsel

Het Platform onderkent het grote belang van het scheppen van de juiste kaders om de vraaggestuurde ontwikkeling van kennis en onderzoek gericht op de verduurzaming van voedsel en voedselproductie te realiseren. Het gaat om de ontwikkeling van kennis en onderzoek dat met (grotendeels) publieke middelen gefinancierd wordt, en waar de behoeften en de wensen van het bedrijfsleven een essentieel uitgangspunt vormen. Dit overigens met als voorwaarde dat het bedrijfsleven eveneens zijn verantwoordelijkheid neemt om te investeren in vernieuwing.

Doel van deze aanpak is:

  • Het ontwikkelen van een toegesneden innovatiemethodiek die gebruikt kan worden om het complexe transitieproces naar verduurzaming vanuit het oogpunt van people, planet en profit te faciliteren;
  • Vraagarticulatie. Het bedrijfsleven (álle schakels in de keten) zal gestimuleerd worden om te komen tot het formuleren van innovatieagenda’s en daaruit resulterende onderzoeksvragen die de verduurzaming van voedsel betreffen, en aansluiten op hun (private) kennisbehoeften.
  • Het hiervoor op te richten netwerk kan desgewenst opgedeeld worden, zowel per thema als per sector/schakel in de keten. Het netwerk is flexibel van aard, bedrijven kunnen deelnemen als dit aantoonbaar relevant voor hen is. Kenmerken van deze netwerken zijn:

- private partijen (primaire ondernemers, agribusiness- en marktpartijen);

- inventariseren gezamenlijk de vraagstukken;

- partijen met een gelijkgestemde visie rondom de toekomstige ontwikkeling inzake deze vraagstukken nemen een leidende rol en stellen een gemeenschappelijke agenda op;

- facilitering met middelen en ondersteuning in algemene zin vindt plaats waarna de uitvoering ter hand genomen kan worden.

  • Het Ministerie van LNV zal er op toezien dat zoveel mogelijk publieke middelen die bestemd zijn voor onderzoek naar verduurzaming van voedsel waar mogelijk mede via deze netwerken toegekend worden.

Het Platform ziet er op toe dat deze innovatie systematiek tot stand komt middels genoemde netwerken en levert daaraan waar nodig een actieve bijdrage, in ieder geval in de beginfase. Het Ministerie van LNV en ZLTO zullen binnen het Platform als trekkende partijen optreden.

III.5 Monitoring: kwalitatief en kwantitatief

Er zal een systeem ontwikkeld worden om de voortgang van de afspraken in deze samenwerkingsovereenkomst in kaart te kunnen brengen. Deze zal enerzijds bestaan uit een kwalitatieve beschrijving van de inspanningen van de platformdeelnemers en de gemeenschappelijke activiteiten. Dit zal in principe als volgt gebeuren (uitbreidingen en aanpassingen zijn mogelijk op basis van voortschrijdend inzicht):

  • Er zal jaarlijks in kaart gebracht worden hoeveel branches gestart zijn met het verankeren van het duurzame productieproces van voedsel in het beleid van de ondernemingen, gekoppeld aan een kwalitatieve beschrijving (‘rapportage’) van hoe de uitwerking daarvan verloopt.
  • Tevens zal jaarlijks in kaart gebracht worden hoeveel marktintroducties en –opschalingen van duurzame producten (pilots) er plaatsvinden, en ook deze zullen inhoudelijk beschreven worden.

Anderzijds zal er een systeem opgezet worden om de voortgang van de inspanningen kwantitatief in kaart te brengen (omzetgroei). In 2009 en 2010 wordt onderzocht en getest hoe dit gerealiseerd kan worden. Platformdeelnemers kunnen het besluit nemen om dan ook aanvullende afspraken te maken over te bereiken omzetgroeidoelstellingen.

De kwalitatieve en kwantitatieve monitoring zal jaarlijks op een vast moment besproken worden door de ondertekenaars van de samenwerkingsovereenkomst verenigd in de Stuurgroep.

III.6 Overig

Platformdeelnemers houden de mogelijkheden open om - indien gewenst - met andere dan bovengenoemde instrumenten in te spelen op de ondersteuningsbehoeften die er zijn.

IV EN NEMEN DE VOLGENDE ‘INDIVIDUELE’ INSPANNINGEN ALS PLATFORMDEELNEMER

IV.1 Inspanningen LNV

Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (vervolgens genoemd Ministerie van LNV) onderschrijft de doelstellingen van deze samenwerkingsovereenkomst en wil via de volgende eigen inspanningen (mede) invulling geven aan de onder II genoemde doelstellingen.

  • Afstemmen en coördineren van het duurzaamheidsbeleid voedsel binnen het Ministerie van LNV conform de nota Duurzaam Voedsel;
  • Afstemmen van het duurzaamheidsbeleid van voedsel met ander duurzaam beleid van de overheid (zowel de andere Ministeries als de Europese Unie);
  • Onderzoeken van mogelijkheden danwel agenderen van aanpassing van huidige en toekomstige wettelijke normen die conflicteren met de beoogde duurzame ontwikkeling;
  • (Co-)financiering ter beschikking stellen ten behoeve van ketenmanagement, pilots, communicatieactiviteiten evenals een ondersteuningsbureau van het Platform en andere gewenste zaken;
  • Er op toezien dat de publieke middelen die bestemd zijn voor onderzoek naar verduurzaming van voedsel waar mogelijk via het op te richten netwerk van vraaggestuurde aansturing toegekend worden;
  • In samenwerking met VROM en Senternovem een actieve rol spelen in de ontwikkeling van herziene criteria voor duurzame catering en zorgdragen voor afstemming van alle relevante inkoopcriteria Rijksoverheid met de inspanningen van de platformdeelnemers;
  • Als opdrachtgever catering zal LNV de duurzame producten die in deze samenwerkingsovereenkomst door middel van pilots ontwikkeld worden, een plaats in het bedrijfsrestaurant geven.
  • LNV stemt regelmatig af met MVO-Nederland en het ondersteunend bureau inzake de aanpak van de uitvoering van het beleid met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemen en duurzaam voedsel.

IV.2 Inspanningen ZLTO

De ZLTO onderschrijft de doelstellingen van deze samenwerkingsovereenkomst en wil via eigen inspanningen mede invulling geven aan de onder II genoemde doelstelling en onder III genoemde gemeenschappelijke instrumenten.

De ZLTO is een organisatie die vanuit zijn visie ‘ondernemende agrariërs in markt en maatschappij’ perspectief wil creëren voor groene ondernemers. Vanuit het domein ‘ontwikkelen, vernieuwen en ondernemen’ wil de ZLTO actief bijdragen aan het realiseren van duurzame voedselproductie en vanuit deze rol tevens inspanningsverplichtingen aangaan. Daarbij zijn deze inspanningen niet alleen gericht op de eigen achterban, maar wil de ZLTO ook ketenpartners en onderzoeksinstellingen mobiliseren om zich te richten op het versterken van ketens van duurzaam geproduceerd voedsel. Daarbij kan de ZLTO zowel de vertegenwoordiger zijn namens groepen primaire producenten, maar tevens initiator van ketensamenwerking.

De inspanningsverplichtingen die de ZLTO aangaat zijn een verdere uitwerking van de ZLTO visie ‘ondernemende agrariërs in markt en maatschappij’. De aandacht van de ZLTO is daarbij met name gericht op het zo goed mogelijk faciliteren en stimuleren van het complexe transformatieproces van verduurzaming van voedsel, waarbij kennis als een van de cruciale factoren voor het welslagen wordt beschouwd.

De ZLTO wil samen met alle schakels in de keten werken aan het realiseren van de volgende streefbeelden die de verduurzaming van voedsel moeten concretiseren:

  • Voor de ZLTO is duurzaam ondernemen in de groene ruimte verbonden met de levenskwaliteit van mens, omgeving en samenleving. Economisch rendement is en blijft een belangrijke drijfveer voor duurzaam ondernemen. Dat gaat gepaard met hoge kwaliteitsstandaarden van producten en productieprocessen alsmede van het werkgeverschap inclusief arbeidsomstandigheden.
  • Plant- en bodemgezondheid: Binnen het geïntegreerde systeem van duurzame land- en tuinbouw zal concreet bijgedragen worden aan het versterken van de biodiversiteit zodat win-win situaties ontstaan voor zowel de productie van voedsel als voor biodiversiteit als totaal. ZLTO ziet dit als een potentieel belangrijke bijdrage aan het wereldvoedselvraagstuk.
  • Diergezondheid: Het gebruik van antibiotica (curatief) is tot een minimum beperkt en is zodanig dat risico’s op resistentie tegen antibiotica in de humane gezondheidszorg zijn uitgesloten. Daartoe nemen primaire ondernemers, dierenartsen en partijen in de voedselketen verantwoordelijkheid.
  • Dierenwelzijn: Agrarische ondernemers investeren continu in het versterken van het ondernemerschap om hun bedrijven duurzaam te ontwikkelen in een dynamische markt en maatschappij. Daarbij worden ten aanzien van huisvesting continue stappen gezet, maar ook 'duurzaamheidssprongen' gemaakt, waarbij dieren zijn gehuisvest in productiesystemen waarin ze hun natuurlijk gedrag kunnen uiten en ingrepen aan dieren, met uitzondering voor identificatie, overbodig zijn. Deze duurzaamheidssprongen zijn succesvol indien deze ook een vertaling naar 'profit' krijgen.
  • Gesloten mineralenkringlopen: Mineralenkringlopen zijn (zoveel mogelijk) regionaal gesloten via samenwerking tussen de sectoren binnen en buiten de land- en tuinbouw. Het streven is om alle aangevoerde mineralen af te zetten via het voedsel, grondstof voor diervoeders, energiedrager en meststof. De agrarische ondernemers ontvangen of betalen hiervoor een marktconforme prijs. Aansluitend bij het voorgaande item is de land- en tuinbouw steeds meer een (lokale) producent van groene energie, waardoor het zelf voorziet in de behoefte aan energie. Waar dit economisch interessant kan zijn levert de land- en tuinbouw groene energie aan andere sectoren.
  • Emissie van broeikasgassen (CO2, methaan, lachgas), ammoniak, geur, fijn stof, geluid en licht. Emissies van bedrijfssystemen voor planten en dieren zijn zodanig laag dat het geen belasting is voor de omgeving. In de ‘open’ systemen zijn voorzieningen aanwezig, waarmee de emissies van schadelijke stoffen voor de omgeving worden beperkt. In ‘gesloten’ systemen worden voorzieningen toegepast, waarmee energieneutraal wordt geproduceerd (bijv. glastuinbouw) en de overlast voor de omgeving tot vrijwel ‘nul’ (intensieve veehouderij) wordt beperkt.
  • Marktbenadering: onderscheidende kwaliteitsproducten en nieuwe concepten met toegevoegde waarde worden via diverse kanalen herkenbaar in de markt gezet. Duurzaam ondernemen betekent dat agrarische ondernemers produceren in ketens met een reële verdeling van marges.

Deze streefbeelden kunnen alleen bereikt worden doordat ondernemers ‘met passie’ uit alle schakels in de keten gaan samenwerken, en dit zal op een andere manier dan tot nu toe moeten gaan gebeuren. Complexe transformatieprocessen vragen namelijk om een nieuwe, op maat ontwikkelde methodiek van faciliteren (ook wel innovatiemethodiek genoemd).

Met deze methodiek moeten ondernemers uit alle schakels in de keten gestimuleerd worden om met nieuwe initiatieven te komen, deze succesvol te vermarkten en daarover op zo’n wijze te communiceren, dat er weer nieuwe impulsen worden gegeven. In deze methodiek is een constructieve samenhang tussen private kennis en inzichten en publiek verworven kennis erg belangrijk. Een tweede belangrijke factor is dat partijen met een gelijkluidende visie op de gewenste toekomstige ontwikkelingen, elkaar vinden in een gezamenlijke agenda.

Dit alles kan het beste bereikt worden via een vraaggerichte aansturing van onderzoek, waarbij robuuste initiatieven van private partijen het vertrekpunt vormen.

De activiteiten die de ZLTO concreet gaat ondernemen, zijn:

  • ZLTO gaat een nieuwe toegesneden innovatiemethodiek ontwikkelen die gebruikt kan worden om het complexe transitieproces te faciliteren;
  • ZLTO streeft er naar dat deze innovatiemethodiek verankerd wordt in het instrument ‘vraaggerichte aansturing van onderzoek naar duurzaam voedsel’ zoals nu op hoofdlijnen beschreven in paragraaf III.4 van deze samenwerkingsovereenkomst. Deze innovatiesystematiek staat in ieder geval ook aan de basis van de activiteiten die door ZLTO, WUR, HAS Den Bosch vervolgens in concrete samenhangende plannen wordt uitgewerkt op een aantal thema’s.
  • Deze thema’s waar omheen netwerken met private partijen functioneren, leiden tot concrete pilots gericht op verduurzaming van de agrarische productie. De hierboven genoemde streefbeelden gelden daarbij als kader. In 2009 is er tenminste 1 pilot gestart waarbij een bedrijf uit de achterban van ZLTO zelf als trekker optreedt. Dit groeit in de jaren erna naar tenminste 2 (in 2010), 3 (in 2011) en 4 (in 2012). De ZLTO zal bij deze pilots zowel kunnen optreden als procesbegeleider maar ook als vertegenwoordiger namens (groepen van) primaire producenten. In bepaalde gevallen zal de ZLTO ook optreden als investeerder. Deze concrete pilots komen tot stand uit geïdentificeerde kennisnetwerken. Kerndoel van de pilots is dat agribusinesspartijen en marktpartners nieuwe segmenten als resultante van ‘duurzaamheidssprongen’ concreet ontwikkelen en implementeren (succesvol opschalen en vermarkten). Inmiddels zijn de volgende voorbereidende activiteiten gestart:

- Ontwikkeling van kennis en vervolgens pilots gericht op duurzame agro-food concepten waaronder de lijn van ‘real food’: eerlijk, smaakvol en herkenbaar voedsel dat op traditionele wijze gemaakt is en via robuuste concepten vermarkt wordt. Start najaar 2009 uitwerking in 2010;

- Uitwerking van een businessmodel bio-diversiteit vanuit het paradigma dat voedsel productie en bio-diversiteit elkaar wederzijds versterken. Start najaar 2009;

- Energieproductie gebaseerd op reststromen van agrarische productie. Start 2010.

IV.3 Inspanningen FNLI

FNLI onderschrijft de doelstellingen van deze samenwerkingsovereenkomst en wil via eigen inspanningen (mede) invulling geven aan de onder II genoemde doelstellingen. Als vereniging van zowel brancheorganisaties als direct aangesloten ondernemingen vervult FNLI daarbij een bijzondere rol. Voor de goede orde wordt gemeld dat de inspanningsverplichtingen die de FNLI aangaat worden ingekaderd door de ‘FNLI Gedragscode Mededingingsrecht’ en afgeleid c.q. een verdere uitwerking zijn van de FNLI duurzaamheidsagenda. De FNLI wil met name een rol vervullen bij het realiseren van de procesgerichte doelstellingen.

  • De leidende thema’s voor de FNLI worden afgeleid uit de FNLI duurzaamheidsagenda. De FNLI duurzaamheidsagenda zou begin 2010 gepubliceerd worden, maar de FNLI is bereid gebleken– omwille van de start van dit platform – dit traject zo ver mogelijk naar voren te trekken. In ieder geval zullen de thema’s klimaat en energie vertaald worden naar doelstellingen per branche;
  • Vastgesteld wordt per branche wat verduurzaming voor de bedrijven in betreffende branche precies inhoudt, welke initiatieven er genomen zijn en op welke punten het verduurzamingpotentieel kan liggen;
  • Op basis van de uitkomsten wordt gedefinieerd wat verduurzaming voor de sector inhoudt: op welke facetten heeft het betrekking, hoe kan verbetering continu plaatsvinden, en een vaststelling van best practices;
  • De inventarisatie onder de aangesloten branches zal op 1 november 2009 starten;
  • Aan de hand van de uitkomsten en vastgestelde best practices wordt een voorbeeldaanpak ontwikkeld, in een vorm die branches binnen de FNLI het meeste aanspreekt (te denken valt aan een checklist of handleiding, alles binnen Europese kaders). De uitkomsten uit afzonderlijke branches worden tevens vertaald naar generieke afspraken voor een sectorbrede erkenning;
  • Daarbij zal de FNLI een gedifferentieerd beleid voeren tussen grote en kleine ondernemingen (tailor made om operationalisering te optimaliseren);
  • In 2010 zullen als pilot vijf branches starten met het implementeren van de voorbeeldaanpak bij aangesloten bedrijven. Daarbij wordt ingespeeld op issues uit de FNLI duurzaamheidsagenda;
  • Vanaf 2011 zullen er ieder jaar tenminste drie branches bijkomen en zal het aantal deelnemende bedrijven per branche toenemen;
  • Per 2011 zijn de deelnemende bedrijven uit de bovengenoemde branches in staat de eigen prestaties in kaart te brengen zodat bedrijven zich via de voorbeeldaanpak kunnen vergelijken met de gemiddelde prestatie van de ondernemingen uit de sector (benchmarking). Dat maakt ook een benchmark mogelijk ten opzichte van de gemiddelde prestaties;
  • In 2012 zal de FNLI een opzet maken voor een benchmarking voor de verduurzaming van het productieproces waarbij aansluiting wordt gezocht bij ontwikkelingen op Europees niveau;
  • Daarbij zal de FNLI onder andere het certificeringsysteem BSCI afwegen tegen andere certificeringsystemen, bijvoorbeeld PROGRESS, om de administratieve belasting te minimaliseren;
  • In het kader van de Millenniumdoelstellingen (2015) en de sociale criteria voor Duurzaam Inkopen zullen samen met LNV nadere afspraken gemaakt worden over toepassing van criteria.

Bovengenoemde inspanningen hebben betrekking op de procesgerichte aanpak. Daarnaast zal de FNLI haar leden stimuleren om via een ketenaanpak te werken aan de marktontwikkeling van verduurzaamde producten (pilot genoemd). Het streven is dat er in 2009 tenminste één pilot wordt gestart, en dit in de jaren erna te laten groeien naar tenminste 2 in 2010, 3 in 2011 en 4 in 2012.

IV.4 Inspanningen CBL

CBL onderschrijft de doelstellingen van deze samenwerkingsovereenkomst en wil via eigen inspanningen (mede) invulling geven aan de onder II genoemde doelstellingen. Door het CBL worden zowel de supermarkten als de groothandels vertegenwoordigd (deze laatste leveren ook aan het horeca- en cateringkanaal). De supermarkten hebben een bijzondere rol omdat zij niet alleen duurzame producten ‘kant en klaar’ inkopen, maar in toenemende mate huismerkproducten in opdracht laten maken. Voor de goede orde wordt gemeld dat de inspanningsverplichtingen die CBL aangaat, worden ingekaderd door de ‘gedragscode mededingingsrecht’, en afgeleid c.q. een verdere uitwerking zijn van de CBL-Duurzaamheidsagenda. De aandacht van het CBL is met name gericht op de productgerichte aanpak.

Jaarlijks zullen er een of meerdere duurzaamheidsdoelstellingen ten aanzien van een product of thema voor de gehele/een groot deel van de achterban van CBL worden doorgevoerd. Deze zijn afgeleid van de Duurzaamheidsagenda van CBL en zullen jaarlijks aangepast worden op basis van bereikte resultaten, nieuwe mogelijkheden en voortschrijdend inzicht.

  • In steeds meer verwerkte producten van huismerken worden geen eieren meer gebruikt van kippen die worden gehouden in legbatterijen, in ieder geval voor zover het gaat om producten die voor meer dan 5% uit ei-ingrediënten bestaan. Daarbij is men wel afhankelijk van beschikbaarheid van scharreleieren in de productielanden. Het streven is dat deze doelstelling aan het einde van de samenwerkingsovereenkomst bereikt is.
  • De jaarlijkse omzetgroei van 10% biologische producten die als streefdoelstelling is afgesproken in het kader van het 3e Convenant Marktontwikkeling Biologische Landbouw, wil het CBL ook voor ná deze werkingsperiode (2008-2011) handhaven.
  • CBL zal volgens het zeven stappenplan ‘Vis Beter’ streven naar een verduurzaming van het visassortiment. Het streven is om vanaf 2011 alleen nog MSC gecertificeerde vis te verkopen. Voor wat betreft aquacultuur zijn de inspanningen gericht op verschillende projecten die een duurzaamheidsstandaard moeten realiseren.
  • Aan de hand van een veertiental criteria zal binnen GlobalGAP een module voor diertransport opgesteld worden waarmee het dierwelzijn gedurende het transport geborgd wordt en dit tevens goed controleerbaar is. Medio 2010 is de module beschikbaar en zullen er test audits bij transporteurs worden uitgevoerd.
  • Het CBL is deelnemer aan het Convenant Marktontwikkeling Verduurzaming Dierlijke Producten (tussensegmenten). Tussensegmentvlees heeft op meerdere punten een duidelijke 'plus' op dierwelzijn. Gangbaar vlees wordt al steeds vaker geproduceerd onder verbeterde welzijns-omstandigheden, bijvoorbeeld het verdoofd castreren van biggen. Door deel te nemen aan het convenant zal de komende jaren op meerdere welzijnsplussen worden ingezet en zal het CBL ook veehouders en de vleessector stimuleren om het welzijn van dieren verder te verbeteren. Doel is dat er in 2011 een zichtbare groei is van tussensegmentproducten waar de consument uit kan kiezen.
  • Ten aanzien van arbeidsomstandigheden in ontwikkelingslanden zal CBL voor de huismerken (i.s.m. andere platformdeelnemers) een pilot uitvoeren om volgens BSCI criteria te eisen dat fatsoenlijke arbeidsomstandigheden geborgd zijn.
  • CBL heeft in 2009 het ‘Actieplan Duurzame Soja’ gelanceerd. Om de soja-veevoerketen te verduurzamen zoekt het CBL aansluiting bij de Round Table on Responsible Soy (RTRS). In het voorjaar van 2009 heeft de RTRS overeenstemming bereikt over de criteria waaraan duurzame soja moet voldoen. Nu moet er middels grootschalige proefvelden zo spoedig mogelijk begonnen worden met de certificering van sojateelt. Het CBL wil dat soja uit deze proefvelden met voorrang naar Nederland wordt vervoerd zodat vlees, zuivel en eieren van huismerken van supermarkten zo snel mogelijk wordt geproduceerd op basis van duurzame soja. Zodra er daadwerkelijk RTRS gecertificeerde soja beschikbaar is kan het CBL een nader tijdpad voor het actieplan uitrollen.
  • De groothandels aangesloten bij CBL zullen zich inspannen om samen met de cateraars aangesloten bij Veneca te werken aan een vergroting van het volume van duurzame producten zodat in ieder geval tegemoet kan worden gekomen aan de inkoopcriteria van de overheid inzake catering en deze producten gaandeweg desgevraagd ook voor het bedrijfsleven beschikbaar komen. Dit zal onder andere via pilots gerealiseerd worden waarbij individuele groothandels en cateraars samen aan nieuwe producten werken.
  • Er zal een aanpak ontwikkeld worden inzake het voorkomen van voedselverspilling. CBL zal een inhoudelijke bijdrage aan deze aanpak leveren, onder andere door te kijken hoe de consument wellicht via de supermarkten geïnformeerd kunnen worden hoe hij/zij in de eigen huishouding zo duurzaam mogelijk met voedsel om kan gaan.

In 2009 is er tenminste 1 pilot gestart om een duurzaam product in ketenverband tot stand te brengen, waarbij een bedrijf uit de achterban van CBL als trekker optreedt. Dit groeit in de jaren erna naar tenminste 2 (in 2010), 3 (in 2011) en 4 (in 2012).

Ten aanzien van de procesgerichte aanpak geldt dat CBL zich op de volgende aspecten van de ‘interne bedrijfsvoering’ zal gaan richten, waarbij een goede samenwerking met de platformdeelnemers, i.h.b. het Ministerie van LNV (als overheidsvertegenwoordiger) belangrijk is:

  • Een integrale aanpak m.b.t. dagranddistributie;
  • Een nationale aanpak energiebesparingsmaatregelen (MJA 3).

IV.5 Inspanningen Veneca

Veneca onderschrijft de doelstellingen van deze samenwerkingsovereenkomst en wil via eigen inspanningen (mede) invulling geven aan de onder II genoemde doelstellingen. Veneca heeft hierbij een faciliterende en waar mogelijk coördinerende rol richting haar leden, die het invullen van inspanningen via een ‘deelovereenkomst’ uitwerken.

  • In 2009 zal bij Veneca gestart worden met het ontwikkelen van een voorbeeldaanpak voor cateraars;
  • In 2010 moeten de leden van Veneca in staat zijn om hun eigen prestaties volgens dit gemeenschappelijke systeem of desgewenst een eigen systeem in kaart te brengen, zodat dit voor bijvoorbeeld klanten inzichtelijk wordt. Daarnaast moet een benchmark mogelijk zijn ten opzichte van de gemiddelde prestatie.

Veneca wil verder de bewustwording van maatschappelijke discussies over voedingsmiddelen bij haar leden vergroten met als uiteindelijk doel om het inkoopbeleid te beïnvloeden. Hierbij wordt vooralsnog gedacht aan productgroepen en onderwerpen als:

  • legbatterij eieren in (verwerkte) producten
  • biologische producten
  • vleesvervangers
  • varkensvlees van onverdoofd gecastreerde biggen
  • vis (verschuiving naar duurzaam)
  • thematische aanpak m.b.t. voedselverspilling.

Veneca wil dit bereiken door de leden te voorzien van informatie over deze onderwerpen en het in kaart brengen van beschikbare duurzame alternatieven. Op basis van de verstrekte informatie zullen leden in staat moeten zijn om een goed geïnformeerde, bewuste en weloverwogen keuze te maken.

Veneca benadrukt hierbij dat de uiteindelijke keuze mede afhankelijk is van randvoorwaarden als voldoende aanbod, kwaliteit van het gewenste niveau zijn en bedrijfseconomisch haalbaarheid. Veneca zal zich ervoor inspannen dat de leden samen met de groothandels aangesloten bij CBL samenwerken aan een vergroting van het volume van duurzame producten. Doel is dat tegemoet kan worden gekomen aan de inkoopcriteria van de overheid inzake catering en dat deze producten gaandeweg desgevraagd ook voor het bedrijfsleven beschikbaar komen. Dit zal onder andere via pilots gerealiseerd worden waarbij individuele groothandels en cateraars samen aan nieuwe producten werken.

In 2009 zullen de individuele leden van Veneca hun concrete inspanningen rondom deze thema’s voor de komende drie jaar via plannen van aanpak uitwerken. Deze plannen van aanpak bevatten één of meerdere pilots. In 2009 is er tenminste 1 pilot gestart om een duurzaam product tot stand te brengen, waarbij een bedrijf uit de achterban van Veneca, of Veneca zelf als trekker optreedt. Dit groeit in de jaren erna naar tenminste 2 (in 2010), 3 (in 2011) en 4 (in 2012).

IV.6 Inspanningen KHN

KHN onderschrijft de doelstellingen van deze samenwerkingsovereenkomst en wil via eigen inspanningen (mede) invulling geven aan de onder II genoemde doelstellingen.

  • In 2009 zal door KHN gestart worden met de ontwikkeling van een digitale wegwijzer op het gebied van duurzame voeding. Per productgroep wordt informatie over mogelijkheden tot verduurzaming verstrekt. De wegwijzer ondersteunt ondernemers bij hun inspanningen om hun aanbod te verduurzamen.
  • Op het gebied van duurzamer voedsel bestaan diverse initiatieven, keurmerken en logo’s. Om ondernemers in staat te stellen om bewuste keuzes te maken ten aanzien van de verduurzaming van hun aanbod is bekendheid met deze initiatieven van belang. De wegwijzer wil de diverse initiatieven op een overzichtelijke wijze aan de bedrijven presenteren. Op deze wijze kunnen bedrijven op een laagdrempelige wijze kiezen voor de wijze van verduurzaming die het beste bij het bedrijf past.
  • KHN zet daarbij in op het bereiken van doelstellingen die verbonden zijn aan de bekendheid onder leden met de digitale wegwijzer en het gebruik ervan. De volgende doelen worden nagestreefd waarbij op basis van voortschrijdend inzicht aanpassingen mogelijk zijn:

2010

25% van de leden is bekend met de digitale wegwijzer

2011

75% van de leden is bekend met de digitale wegwijzer

2012

90 % van de leden is bekend met de digitale wegwijzer

  • Om ondernemers te stimuleren om verduurzaming van voedsel in hun bedrijfsvoering te verankeren, zullen KHN leden jaarlijks worden geattendeerd op de digitale wegwijzer en waar wenselijk worden geadviseerd of ondersteund. Hiertoe kan onder andere een beroep gedaan worden op het instrument ‘ketenmanagement’. De volgende doelen worden nagestreefd waarbij op basis van voortschrijdend inzicht aanpassingen mogelijk zijn:

2010

15 % van de leden heeft de digitale wegwijzer gebruikt

2011

30 % van de leden heeft de digitale wegwijzer gebruikt

2012

50 % van de leden heeft de digitale wegwijzer gebruikt

KHN wil de bewustwording bij leden van maatschappelijke discussies over voedingsmiddelen vergroten met als streven om een bewust inkoopbeleid van horeca-ondernemers te realiseren. Hierbij wordt vooralsnog gedacht aan aandacht voor onderwerpen als:

  • legbatterij eieren in (verwerkte) producten
  • varkensvlees van onverdoofd gecastreerde biggen
  • vis (verschuiving naar duurzaam)
  • blank kalfsvlees
  • foie gras
  • voedselverspilling.

KHN wil dit bereiken door de leden te voorzien van informatie over deze onderwerpen en het in kaart brengen van eventueel beschikbare duurzame alternatieven. Op basis van de verstrekte informatie zullen leden in staat moeten zijn om een goed geïnformeerde, bewuste en weloverwogen keuze te maken. KHN benadrukt hierbij dat de uiteindelijke keuze mede afhankelijk is van randvoorwaarden als voldoende aanbod, kwaliteit van het gewenste niveau en bedrijfseconomische haalbaarheid. Verder moeten ondernemers kunnen afgaan op de informatie die door leveranciers wordt verstrekt. Deze randvoorwaarden dienen in ketenverband opgepakt te worden en KHN zal er voor zorg dragen dat dit in het Platform geagendeerd wordt.

KHN zet daarbij in op doelstellingen die verbonden zijn aan de bekendheid onder leden met maatschappelijke discussies over voeding en met eventueel beschikbare alternatieven:

2010

25% van de leden is zich bewust van maatschappelijke discussies over voeding

2011

75% van de leden is zich bewust van maatschappelijke discussies over voeding

2012

90% van de leden is zich bewust van maatschappelijke discussies over voeding

 

2010

15% van de leden is bekend met eventueel beschikbare alternatieven

2011

30% van de leden is bekend met eventueel beschikbare alternatieven

2012

50% van de leden is bekend met eventueel beschikbare alternatieven

  • KHN zal (via de leden) een bijdrage leveren aan de totstandkoming van de collectieve communicatie-activiteiten en de vraaggerichte aansturing van onderzoek naar duurzaam voedsel.
  • In 2009 is er tenminste 1 pilot gestart waarbij een bedrijf uit de achterban van KHN of KHN zelf als trekker optreedt. Dit groeit in de jaren erna naar tenminste 2 (in 2010), 3 (in 2011) en 4 (in 2012).

V EN HEBBEN DE VOLGENDE OVERIGE AFSPRAKEN GEMAAKT MET BETREKKING TOT UITVOERING VAN DEZE SAMENWERKINGSOVEREENKOMST

Met betrekking tot de organisatie zijn de volgende gremia ingesteld:

  • Het Platform Verduurzaming Voedsel, bestaande uit een vertegenwoordiging van de deelnemende organisaties. Elke deelnemende organisatie benoemt een lid en een plaatsvervangend lid. Het Platform Verduurzaming Voedsel benoemt een onafhankelijke voorzitter.
  • De Stuurgroep, bestaande uit de ondertekenaars van de samenwerkingsovereenkomst. De Stuurgroep wordt voorgezeten door de Minister van LNV.

De taken en bevoegdheden van het Platform Verduurzaming Voedsel en de Stuurgroep zijn de volgende:

  • Het Platform komt 6 tot 8 keer per jaar bijeen. Indien daaraan behoefte bestaat, kan deze frequentie worden bijgesteld.
  • Het Platform kan op basis van unanimiteit besluiten om het Platform Verduurzaming Voedsel uit te breiden met andere organisaties.
  • Voor overige besluiten is een meerderheid vereist.
  • De voorzitter van het Platform heeft geen stemrecht. De voorzitter draagt zorg voor een goede samenwerking tussen platformdeelnemers opdat de doelstellingen van de samenwerkingsovereenkomst bereikt kunnen worden.
  • Het Platform heeft géén rechtspersoonlijkheid. Waar nodig wordt aangesloten bij bestaande rechtspersonen en structuren.
  • De taken van het Platform zijn:
    • Toezicht houden op en meewerken aan het bereiken van de afgesproken doelstellingen en het realiseren van de agenda van het Platform.
    • Toezien en elkaar ondersteunen bij de uitvoering van de inspanningsverplichtingen van de deelnemende partijen.
    • Toezien op inzet van collectieve instrumenten of meewerken aan de uitvoering daarvan.
    • Toezien en indien nodig meewerken dat monitoring en rapportage tot stand komt.
    • In dit kader neemt het Platform besluiten over de inzet van collectieve instrumenten, in het bijzonder toekenning van LNV-middelen aan projecten die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen. LNV behoudt het recht om anders te beslissen.
    • Het Platform kan tijdelijke werkgroepen of commissies instellen, waarin naast vertegenwoordigers van de deelnemende organisaties ook vertegenwoordigers van bedrijven of Productschappen benoemd kunnen worden.
  • De Stuurgroep komt éénmaal per jaar bijeen.
  • De Stuurgroep houdt toezicht op de algemene voortgang van het bepaalde in de samenwerkingsovereenkomst, waarbij zowel de bereikte resultaten van het afgelopen jaar als de voorgenomen plannen en strategie voor het komend jaar worden betrokken.
  • Het Platform en de Stuurgroep worden bijgestaan door een extern ondersteunend bureau dat onder de verantwoordelijkheid van de voorzitter opereert.

VI SLOTBEPALINGEN

Het bepaalde in deze samenwerkingsovereenkomst geldt slechts voor zover dit verenigbaar is met de geldende Europees- en nationaalrechtelijke kaders.

VI.1 Looptijd, tussentijdse toetreding en eenzijdige opzegging

  1. Indien een bij het Platform betrokken partij zich niet kan verenigen met een besluit of relevante ontwikkeling voortvloeiend uit de activiteiten van het Platform, wordt er binnen een periode van maximaal 6 maanden geschillenbeslechting gevoerd zoals in paragraaf VI.2. omschreven. Als na deze periode geen overeenstemming is bereikt, dan kan de betrokken partij de deelname aan de samenwerkingsovereenkomst opzeggen.
  2. Een partij, die zijn deelname aan de samenwerkingsovereenkomst opzegt, is gehouden voor een termijn van zes maanden na datum van opzegging de lopende verplichtingen voortvloeiend uit de samenwerkingsovereenkomst na te komen.
  3. Ingeval het Platform wordt uitgebreid, dient de nieuwe platformdeelnemer in te stemmen met de de samenwerkingsovereenkomst.
  4. Wanneer een partij de samenwerkingsovereenkomst opzegt, beraden de overige platformdeelnemers zich over de gevolgen daarvan voor de samenwerkingsovereenkomst.
  5. Deze Samenwerkingsovereenkomst treedt in werking met ingang van 28 oktober 2009 en heeft een looptijd tot en met 31 december 2012.

VI.2 Geschillenbeslechting

  1. Geschillen die voortvloeien uit deze samenwerkingsovereenkomst of afspraken die daarmee samenhangen worden ter oplossing voorgelegd aan de Stuurgroep. Hierbij kan de Stuurgroep adviseurs benoemen.
  2. Bij de oplossing van het geschil wordt rekening gehouden met de doelstelling en de werkingssfeer van de samenwerkingsovereenkomst.
  3. Een geschil bestaat indien één van de platformdeelnemers dat schriftelijk aan de andere partij(en) meedeelt.

VII. ALDUS OVEREENGEKOMEN en in ZESVOUD ondertekend op 28 oktober 2009 te Woerden

Ministerie van LNV ZLTO Nederland

Minister G. Verburg de heer A.J.A.M. Vermeer

FNLI CBL

de heer Ph. den Ouden de heer K.L. van den Doel

Veneca KHN

de heer T. Verheij de heer L.J.H.M. van der Grinten